Werk met overeenkomsten

Begin met een sleutelwoord die je tijdens het brainstormen op papier hebt opgeschreven. Bijvoorbeeld “pretpark”. Kies nu een willekeurig ander inspirerend woord. Neem bijvoorbeeld een land (Groenland), een dier (een ijsbeer), een gebouw (het Atomium in Brussel) of een gebruiksvoorwerp (paperclip). Schrijf nu eerst alle associaties die je met het tweede woord hebt. Voor Groenland, zouden dit bijvoorbeeld “ijsberg”, "ijsschotsje springen", “groot”, “koud”, “dunbevolkt”, “ijsberen” en “eskimos” kunnen zijn. Met het woord “ijsberg” zou je op het idee kunnen komen om een attractie voor het pretpark te maken waar mensen in een achtbaan door ijsbergen rijden. En misschien is het een goed idee om het pretpark onder te verdelen in een aantal “werelddelen”? Op deze manier kom je tot nieuwe inzichten en ideeën.